|
Vernieuw-de Nieuwe Kerk of wat te doen met een gedateerd monumentaal gebouw? Wanneer je vandaag de dag de Nieuwe Kerk binnenloopt, valt de leegte onmiddellijk op. De ruimte is gevuld met het licht dat door de hoge gotische ramen royaal naar binnen valt; de ranke kolommen die ongeveer in het midden van die ruimte de zakgoot dragen, zien er slanker uit dan ooit te voren en richten bijna automatisch de blik naar boven, richting het zachtblauwe plafond, waar de sterren hangen als aan de hemel. Door dat licht lijkt het wel alsof er geen grenzen zijn, geen muren die onderscheid maken tussen binnen en buiten. Nolli tekende op zijn beroemde kaart van Rome ooit alle kerkinterieurs als publieke buitenruimte: zo voelt het hier ook. Pas als je beter gaat kijken kom je er achter dat er wel degelijk muren zijn, romig gestuct en een kap constructie in een strenge maatvoering en dat er interieur gemaakt is dat richting bepaald, zonder afbreuk te doen aan de grote, lege ruimte. Zo zou Bernard van Clairvaux het bedoeld kunnen hebben. Was hij dan misschien de bouwheer? Alleen in overdrachtelijke zin. De Middelburgse bouwers van rond 1100 lieten zich door zijn regels inspireren en hoewel latere en modieuzere bouwers dat weer enigszins onzichtbaar hebben weten te maken, zit het basispatroon er nog beslist zo in. Deze kerk is een beetje meer schuur dan kerk: voor de monniken was bidden en werken (aan dijken en polders) nauw met elkaar verbonden. Hier kwam de goegemeente binnen en de abdij naar buiten, hier vond de ontmoeting tussen kerk en maatschappij plaats. Geen heilige der heilige, maar publieke ruimte dus, zoals geportretteerd door Pieter Saenredam en zijn tijdgenoten. Voor hen gold, zij het om andere redenen net als bij de beeldenstormers: hoe leger hoe beter. herinrichting en renovatie In de loop van 1996 besloot de kerkeraad tot renovatie en herinrichting van de Nieuwe Kerk vooral omdat de bouwkundige gebreken zulke ernstige vormen aannamen dat met grondig onderhoud niet langer gewacht kon worden. Gelijk nam men de gelegenheid te baat om aansluiting te vinden bij de in de loop der jaren gewijzigde liturgische praktijk die niet meer paste bij de bestaande inrichting en meer mogelijkheden te zoeken om kerk in de wereld te zijn zoals eerder al was vastgelegd in het beleidsplan. Daarbij was het stimuleren van meer profane funkties voor de kerkelijke ruimte een toekomstgerichte stap die men wilde zetten, een stap overigens die ook aansloot bij de reeds gegroeide praktijk. In de aanloop naar een nieuw ontwerp werd een spannend proces begonnen met allerlei instanties die met zon monumentaal gebouw iets te maken hebben en met de gemeente; de kerkgangers die veelal jarenlang elke zondagse eredienst bezochten en door de jaren heen gehecht raakte aan het gebouw en zijn atmosfeer, dat na de dramatische ondergang in mei 1940 weer degelijk opgebouwd werd. En niet alleen zij keken over onze schouder mee. Veel inwoners en toeristen beschouwen de Nieuwe Kerk van Middelburg uiteindelijk toch als de kerk van de stad en waren dus benieuwd naar de uitkomsten van dat vernieuwingsproces. Nadat in 1998 alle benodigde vergunningen en toestemmingen verkregen waren en ook een flink deel van de geraamde financiën was binnengehaald, kon er gestart worden. De kosten voor het bouwkundige werk werden begroot op ongeveer f 650.000,- (gegund aan Bouwgroep Peters uit Middelburg), voor de nieuwe installaties op f 50.000,- (gegund aan Schoonen Elektro uit Middelburg en Post Audio uit Kapelle) en voor de meubels op f 270.000,- (voor een belangrijk deel uitgevoerd door constructiebedrijf De Nood uit Middelburg en Zandee de Kuijper uit Goes); een flink deel van de inkomsten kwam van overheden en fondsen, terwijl ook de gemeenteleden zelf bijdroegen. Door de tijdrovende maar effectieve geldwervingsaktie van de kerkeraad (voor een project dat toch vooral gekenmerkt wordt door vernieuwingsdrang en niet genoodzaakt door instortingsgevaar mag dit opmerkelijk heten) hoefde de centrale kas van de kerk slechts voor een zeer klein deel te worden aangesproken. Op zoek naar de "oorspronkelijke" sfeer van dit oude gebouw zijn wij als architect en kerkeraad samen begonnen leegte te maken: het wederopbouw interieur uit 1954 is weggehaald. De banken op kleine verhogingen, de preekstoel (de wat grotere ouderlingenbanken aan weerszijden van de preekstoel waren halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw al gesneuveld) en het ingangsportaal aan de westgevel werden verkocht. In de vrijgekomen, gapende vloeropeningen waar voorheen de banken stonden op een verdiept betonnen werkvloertje, werd een nieuw vloerverwarmingssysteem gemonteerd nadat alle oude leidingen die omhult waren met een isolerend laagje asbest zorgvuldig verwijderd waren door mannen in witte pakken die hun werk in grote, halfdoorzichtige tenten moeten doen en daarna opnieuw afgewerkt met nieuwe hardsteen tegels. Door de vlakheid van die tegels en de dunne voegen ertussen (niet meer dan 3 mm) blijft het oudere vloerpatroon duidelijk herkenbaar; de oude plavuizen zijn immer verweerd en tamelijk oneffen van oppervlak. Het doopvont bleef bewaard, maar zal binnenkort verhuizen naar de omgeving van de westingang, die door Prins Glas uit Vlissingen van een geheel glazen tochtportaal werd voorzien. Bezoekers die hier binnenkomen, hebben vanuit het portaal onbelemmerd zicht op de ruimte en worden bij binnenkomst - als vanouds - meteen geconfronteerd met de doop. Ook de tien kroonluchters met hun typische jaren vijftig karakter, die in de jaren tachtig al een grote opknapbeurt kregen, zijn gebleven. Wekenlang was de kale ruimte gevuld met stof dat, opgeworpen door de hamers van de werklieden die de stuclaag van de muren bikte, meer dan ooit zichtbaar maakte hoe groot de inhoud van dit gebouw is. Tot vier meter hoogte werd de bestaande stuclaag verwijderd en vervangen door een nieuwe die opgebouwd werd uit drie dunnen lagen, van gemiddeld 7 mm dik. De eerste twee lagen, die de meest vochtbestendige mortel bevatten, werden op de muren gespritst door een enkele vakman. Spritsen is een ambachtelijke methode waarbij de mortel vanuit een draaiende handmolen vanaf ongeveer 50 cm afstand op de muur geschoten wordt, dit om het luchtige mengsel zo goed mogelijk te laten hechten aan de muur en een zo gunstig mogelijke spreiding te verkrijgen, een ruw maar gelijkmatig oppervlak achterlatend voor de volgende laag. De toplaag werd vervolgens met de hand gesmeerd en wel zo dat er nagenoeg geen structuurverschil zou optreden met de oude stuclaag die vanaf vier meter gewoon was blijven zitten. Die bestaande stuclaag is waarschijnlijk indertijd met een borstel afgewerkt en op sommige plaatsen zo dun dat het achterliggende metselwerk bijna door de stuclaag heen zichtbaar is. Het drogen van de mortel was een spannende fase omdat daarna pas zou blijken of er scheurvorming zou optreden door het gebruik van de vette mortel en of de kleur gelijk zou worden aan de oude stuclaag. Dit laatste is niet op alle wanden evengoed uitgepakt, maar toch was iedereen zo tevreden over het resultaat dat besloten werd het stucwerk ongeschilderd of gesausd te laten. Wel werden alle wanden van top tot teen met een stofzuiger schoongezogen vanuit een hoogwerker. Toen daalde het stof langzaam neer op de nieuwe vloer en kon, na de inspanningen van de schoonmaakploeg, de Spaanse stoelenleverancier Enea zijn blauwe verrassing komen afleveren. Voor de meer functionele indeling van de kerkruimte werd door de kerkeraad uit drie alternatieven een nieuwe opstelling gekozen, waarin elke liturgische handeling zijn eigen plaats in de ruimte toebedeeld kreeg. Er is een plaats voor het woord, een plaats voor het avondmaal en een plaats voor de doop. Deze drie vierplaatsen zijn grosso modo volgens de windrichtingen gerangschikt, de doopplaats met het stenen vont uit 1954 in het westen, bij het vernieuwde glazen tochtportaal, de plaats van het woord in het midden, met daaromheen de 350 stoelen in waaiervorm voor de gebruikelijke kerkdiensten en de plaats voor het avondmaal in het oosten, waar het contact met het hoofdorgel het best is en de tafel een relatie legt met het schilderij van Jacob Adriaensz. Backer (1640) naar Mattheus 15: 21-28. meubilair De ruimte van de Nieuwe Kerk is groot. Om duidelijkheid te scheppen in het interieur zijn kloeke meubels noodzakelijk. Vooral omdat de meubels de enige inrichting van de kerk vormen; verder is hij helemaal leeg. Het is dus geen toeval dat de meubels op het eerste gezicht opvallende aanwezig zijn, hetgeen bij nader inzien meevalt; alles straalt een heldere rust uit. Er is gekozen voor hardsteen en edelstaal, moderne doch duurzame materialen die enerzijds aansluiten bij het oude gebouw (de tegels van de vloer, grafzerken, het doopvont) en anderzijds bij het transparante, hedendaagse karakter van de nieuwe invulling. De twee belangrijkste meubelstukken, de preekstoel en de avondmaalstafel, zijn beide uitgevoerd als tafelmodel, om in de eerste plaats uitdrukking te geven aan de gemeenschap (samen delen van woorden en brood) en in de tweede plaats om de doorzichtigheid (in gotische kathedralen noemt men dit wel de diaphanie) van de ruimte niet aan te tasten. De vorm is zo gemaakt dat het hardsteen als een soort band om of over het meubelstuk heen loopt. Beide meubelstukken krijgen hierdoor duidelijk twee gezichten, een doorzichtige zijde en een ondoordringbare, dichte, massieve zijde. Zodoende krijgt het de vorm van een doorsnede en door de scherpe punt aan een van de zijden, lijkt de vorm op een letter. Beide associaties zijn belangrijk. De doorsnede vanwege het analytische karakter. Gebouwen of objecten ontdek je of analyseer je vanuit de doorsnede; die staat voor het programma van het gebouw: wat er in gebeurt. Wanneer je die doorsnede kan verklaren begrijp je hoe het gebouw in elkaar zit; het aanzicht, de gevel is maar een façade, een beeld en zoals duidelijk is, op die manier wil God niet gekend worden. Het idee van de letter is belangrijk vanwege de tekst als enige bron voor gelovigen om uit te leven. Niet voor niets wordt in de tijd van de reformatie de kerk als lege ruimte bekeken. Door de wat abstracte vorm van de meubels denk je meteen aan Hebreeuwse letters, die naast hun betekenis in de woorden, ook nog eens een symbolische en rekenkundige betekenis hebben. Die letters zien we (volgens de overlevering) eigenlijk maar half: de andere helft bevindt zich in de hemel. Alle Hebreeuwse letters hebben een soort haakje aan de bovenkant, ze lijken aan een lijn te hangen, maar dit is de verbinding met de overkant (het woord Hebreeuws stamt van he-eber wat betekent: dat wat van de overkant komt): daar bestaat het spiegelbeeld van dezelfde letter. Samen zijn ze pas één. De punt in de hardstenen band functioneert ongeveer op dezelfde manier, als een verwijzing naar iets wat we niet zien, maar dat ons begrip pas heel maakt. Avondmaalstafel en doopvont zijn (ondanks hun grote gewicht) verplaatsbaar; zij hebben niet op alle zondagen hun vaste plaats. Dit heeft vooral met praktische inrichting te maken; wanneer de gemeente avondmaal of doop viert, is er rondom de bijbehorende meubels meer ruimte nodig dan wanneer ze niet "in gebruik zijn". Alle kaarsenstandaards, die als losse onderdelen bij de meubels behoren, hebben eveneens een geknikte vorm, gemaakt in edelstaal, maar op een voet van hardsteen: zij zitten vast in de bodem - het is het vuur dat de geest vertegenwoordigt - terwijl de kaarsen lijken te zweven. Over de stoelen valt weinig te zeggen, hoewel er lang over gediscussieerd werd: ze zijn vooral om praktische reden gekozen. Stoelen maken de kerk veel flexibeler in te richten en te wijzigen, hetgeen vooral voor het niet-kerkelijk gebruik een groot voordeel betekent. Er was een eis tot een comfortabele zit, waarbij armleuningen voor alle stoelen een wens van de gemeenteleden was. Vanwege de sobere kleurkeuze voor het overige meubilair (steen en staal) wilden we voor de stoelen een frisse kleur kiezen. Rood viel af vanwege de associaties met een theater en het barokke karakter, groen zou teveel interfereren met de kleuren van het kerkelijk jaar. Blauw is een koele kleur, die goed past bij de hardsteen en het staal (ook de stoelpoten en leuningen), de kleur van zuiverheid en trouw. Een heldere tint blauw is gekozen vanwege de relatie met het plafond (dit is een soort grijs-blauw, hetgeen voor de stoelen niet de gevraagde frisheid maar juist een algemene matheid teweeg zou brengen) en het donkerbruin van de houten dakconstructie en de orgelkas. Speciaal voor de Nieuwe Kerk werd er aan de achterzijde van de stoelen een plaatje bevestigd voor het wegleggen van bijbels en liedboeken. Naast de gekleurde stoelen is de historische orgelkas (Jan Albertsz. Schut en Jasper Waageman, 1690-1693) het enige gekleurde element in de kerk en daarmee een enorme blikvanger. De in het atelier van Joop van Litsenburg in Amsterdam gerestaureerde luiken (oorspronkelijk geschilderd in 1692 door Hendrik Tiedeman ) hebben hun oorspronkelijke glans en vrolijkheid weer teruggekregen. Ze worden half februari 2001 weer aan de kas bevestigd. Bij de restauratie zijn de bruin geworden waslagen verwijderd en alle beschadigingen gerepareerd. De luiken van het hoofdwerk zijn op een nieuw kunststof frame gespannen door de firma Van den Brink uit Stompwijk (gespecialiseerd in scheepsrompen) en het mechaniek is dusdanig aangepast dat de luiken nu ook weer gesloten kunnen worden, zoals dat bijvoorbeeld traditie is in de veertig-dagen-tijd. Ook de kas glimt als vanouds door het poetsen van het houtwerk; een lastig karwei omdat in de loop der eeuwen veel aan de kas geprutst is met verschillende hout- en laksoorten. Na het schuren van al het houtwerk - waarbij oude verflagen ontdekt werden die aantonen dat de kas ooit beschilderd geweest is, wat in de tijd van de barok gebruikelijk was - is dit opnieuw laagje voor laagje in de was gezet, terwijl de versieringen rondom het pijpwerk beschilderd werden met goudkleurige verf en overige versieringen in het beeldhouwwerk van Waageman verguld werden. Ondanks de opfleuring van het geheel die door verschillende adviseurs nodig geacht werd, (en die uiteindelijk ook verkregen is), werd niet gekozen voor het vergulden van alle beelden en ornamenten die in het verleden met een lijnolie verf met bronspigment beschilderd waren om een soort algemeen brons-effect te weeg te brengen. Dit zou een geweldige "verkitsching" van de kas met zich meegenomen zou hebben. Hoewel daar in andere kerken wel voor gekozen werd, zou het in geval van de Nieuwe Kerk een heel vreemde toevoeging geworden zijn, waarvoor men dus beslist niet gekozen heeft. Vanwege de akoestiek hebben de stoelen een stoffen zitting nodig; voor het orgel kan de kerk niet leeg genoeg zijn: hoe harder het gebouw, hoe beter het orgel klinkt. Poetswerk, verguldsel en luiken restauratie kosten bij elkaar ongeveer f 230.000,-, terwijl een grondige renovatie van het instrument zelf (gepland in 2002) nog eens f 400.000,- zal gaan kosten. Dan pas, zal ook de rijksgebouwendienst gereed zijn met het onderhoud van het leiendak, de gemetselde gevels en het loodwerk in de blanke gotische ramen, waarmee waarschijnlijk in mei 2001 van start gegaan zal worden. Na afloop daarvan zal de hele vernieuwingsoperatie achter de rug zijn en daarmee zijn we dan weer terug bij het begin; bij het daglicht dat door die ramen zo prachtig naar binnen valt en de kerkruimte met zijn eigenzinnige interieur voorziet van glans en karakter middenin de onvoorspelbare wereld.
Johan de Koning 20 januari 2001
Panorama van de nieuwe kerk (U heeft hiervoor quicktime nodig)
|